Niverance - deel 3
Welkom bij Niverance - deel 3. Duik verder in het verhaal dat we zijn begonnen. Dit is een vervolg op de vorige delen, dus zorg ervoor dat je die eerst gelezen hebt om volledig mee te zijn. Veel leesplezier!
Deel 3: hoofdstukken V en VI
Hoofdstuk V — De terugreis
Ik reed terug terwijl de avond inviel.
In mijn achteruitkijkspiegel leek het bos achter mij te ademen.
Onderweg stopte ik op een parkeerplaats om mijn gedachten te ordenen.
Ik nam de map erbij.
Tussen de documenten zat nu een nieuw vel papier — vers, nog niet vergeeld, maar duidelijk in hetzelfde lettertype als de originele interne dossiers.
Ik voelde mijn hartslag versnellen.
Ik had het niet meegebracht.
Ik had het niet geschreven.
Het vel lag er.
Ik las:
'La structure n’a pas disparu.
Elle attend que quelqu’un se souvienne de ce qui n’a jamais été dit.'
Onder de tekst stond een tabel:
'DOCUMENT CLASSIFIÉ — SISS / SECTION INTERNE B3'
Historique Opérationnel — Projet Veraplu / « Niverance »
Niveau d’accès : Restreint — Cycle interrompu
— 1973 : Observation initiale
Collecte discrète de données au sein de la zone humide. Absence d’indices de hiérarchisation traditionnelle.
— 1974–1976 : Phase de convergence
Stabilisation des structures communautaires non patriarcales.
Adaptation organisationnelle non conforme aux modèles attendus.
— 1977 : Interférence de terrain
Perturbations externes signalées. Modification imprévisible des dynamiques internes.
Aucune dissolution observée.
— 1978 : Interdiction
Décision ministérielle : arrêt immédiat de toute expérimentation.
Instruction complémentaire : effacement progressif des traces documentaires.
— 1980 : Fermeture des archives
Procédure d’amnésie administrative.
Reclassement des personnels associés.
Accès « Consultation interdite » instauré.
— 2025 : Réactivation ? (conditionnelle)
Apparition non autorisée d’éléments du cycle initial.
Évaluation en cours : observateur identifié — statut provisoire.
Het vraagteken achter Réactivation was met de hand geschreven.
Een andere hand dan die van Berthoux.
Stevige druk, trefzeker, iemand die gewend was beslissingen te nemen.
Ik keek naar het eind van de tabel. Een voetnoot:
'La suite dépendra de votre regard.'
De zon ging onder achter de bomen.
Het laatste licht viel precies op de map, alsof het benadrukken wilde dat ik niet langer enkel archivaris was, maar betrokken partij.
Ik startte de wagen en reed verder.
Dit verhaal had al lang voor mijn komst beslist dat ik het zou vinden.
Hoofdstuk VI — De commissie
De nacht na mijn terugkeer sliep ik onrustig.
Er was geen droom, alleen een voortdurende indruk dat iemand mijn gedachten in beweging hield.
Ik werd om 03:12 wakker door een geluid dat ik eerst niet kon plaatsen:
een korte tik, alsof er een steentje tegen het raam was gegooid.
Toen opnieuw.
Ik stond op, keek door de spleet van het gordijn.
Niets. Alleen de straatlamp die flikkerde alsof hij signalen gaf in een taal die ik niet kende.
Op mijn bureau lag de map, opengevallen.
Ik had ze gesloten achtergelaten.
Er lag een klein fragment papier naast. Een uitgescheurd randje.
Er stond één woord op, in het Frans, met potlood geschreven:
'Recommencer.
Ik voelde niet langer de angst van iemand die denkt dat hij gevolgd wordt.
Dit ging niet over iemand. Dit ging over iets dat gezien wilde worden.
De volgende dag ontving ik een uitnodiging van de Universitaire Commissie voor Onderzoeksintegriteit.
Geen fysieke brief, maar een digitale melding.
Een rood kader, zakelijke toon:
“U wordt verwacht op woensdag 14:00, lokaal C-103. Onderwerp: voorlopige schorsing.”
Dit was sneller dan ik had gedacht.
Te snel.
Mijn toegang tot de archieven was geblokkeerd, maar dat verklaarde geen disciplinaire sessie zonder voorafgaand gesprek.
In het lokaal zaten drie mensen die ik niet kende.
Geen van hen droeg een naamplaatje.
Achter hen hing een projectiescherm dat niet gebruikt werd.
De man in het midden opende:
“U heeft toegang gezocht tot niet-gevalideerd materiaal met betrekking tot aangevochten sociaal-structureel onderzoek.
Kunt u ons uitleggen waarom?”
Ik wilde het dossier niet noemen.
Maar ik hoefde niet te spreken.
De vrouw links schoof een vel papier naar mij.
Mijn eigen onderzoeksaanvraag van twee jaar geleden — die over de Sumatraan gemeenschappen.
“Uw interesse in matriarchale systemen is gedocumenteerd,” zei ze.
“En leidt momenteel tot verhoogde gevoeligheid.”
Verhoogde gevoeligheid?
Ik had de eufemismen van commissies leren kennen, maar deze was nieuw:
een term die tegelijk dreigde én niets zei.
“Wij verzoeken u,” vervolgde de man,
“om voorlopig af te zien van veld- of archiefonderzoek in vergelijkbare domeinen.”
Ik keek hen één voor één aan.
Geen vijandigheid.
Geen emotie.
Alleen… afstand, alsof ze spraken vanuit een protocol dat hen niet volledig toebehoorde.
Ik knikte.
Het gesprek was daarmee beëindigd.
Bij het buitengaan, in de gang, vond ik iets wat ik niet had verwacht:
een klein strookje papier dat onder de deur was doorgeschoven, precies waar ik stond.
Het was dezelfde hand als de eerdere notities.
'Ils ne peuvent rien vérifier.
Ils ne savent pas ce qu’ils cherchent.'
Ik stak het in mijn jaszak.
Ik wist niet of ik moest glimlachen of sidderen.